Haren en belastingen als instrument

Nederland

Sinds medio 2009 vallen kappersdiensten, na een lange experimentele periode, onder het verlaagd OB-tarief voor arbeidsintensieve diensten. De achtergrond daarvan is de gedachte dat op die manier de vraag naar die diensten zou toenemen en daarmee ook de werkgelegenheid. Een ander aspect was de verwachting dat door het goedkoper maken van deze diensten de verleiding die dienst ‘zwart’ te verrichten zou afnemen. Nobele doelstellingen die via de omzetbelasting ondersteund zouden moeten worden: voorwaar een instrumentele insteek.

Tot de kappersdiensten behoren volgens tabel 1 onderdeel b post b7 onder meer:

  • knippen, wassen, föhnen, verven, permanenten, scheren en trimmen van baarden,
  • producten die kappers verbruiken bij het behandelen van haar, zoals shampoo, haarverf en gel
  • goedkope haarversieringen die worden aangebracht, zoals strikken, linten, kralen en veertjes
  • aanbrengen van haarextensies en aanmeten en reviseren van pruiken en toupets

Het gebruikte materiaal, dus de haarextensies, pruiken en toupets zelf, valt onder het 21%-tarief.

J. Deel uit Den Haag kwam met opslagen uit op een jaarlijkse pruikenbelasting van 6 gulden en 11 stuivers.

Heeft het gewerkt? Uit een in 2017 gehouden onderzoek van Jongen, Lejour en Massenz genaamd ‘Goedkoper geknipt maar niet vaker: de effecten van de btw-verlaging voor kappers’ blijkt dat de btw-verlaging weliswaar bijna geheel is doorgegeven aan de consument in de vorm van lagere prijzen maar dat het niet heeft geleid tot een groter volume van kappersdiensten.

Een ander voorbeeld. Vallen pruiken zoals hierboven geschetst niet onder het verlaagde tarief, zo’n 214 jaar geleden wilde men geheel van pruiken af. Met dat doel werd per 1 januari 1806 een pruikenbelasting ingevoerd. De revolutionaire patriotten waren aan de macht met de slogan ‘vrijheid, gelijkheid, broederschap’. De adel en gegoede burgerij moesten het ongelden. Pruiken waren voor de adel en gegoede burgerij een ten opzichte van het gewone volk te opzichtig statussymbool.

Men werd verplicht om een patent (een soort vergunning) op haarpoeder te kopen. Haarpoeder was nodig om pruiken in model en hygiënisch te houden. En dat patent was best kostbaar: vijf gulden per persoon naast gemeentelijke opslagen. Vijf jaar later verviel met de annexatie van Nederland door Frankrijk deze belasting, maar pruiken waren toen al lang uit de mode. Of dat kwam door de belasting of door het veranderende modebeeld valt in de literatuur helaas niet te achterhalen.

Tagged
Fons Overwater
Ik verzamel en bestudeer het Nederlandse zegelrecht van 1624 tot en met 1971.

Geef een reactie