Vakantiebonnen in de agrarische sector

Overige zegels

De geschiedenis van een bijzondere vakantieregeling met een speciale fiscale behandeling. En wie heeft die bonnen, waar we allemaal wel eens over gehoord hebben, wel eens in het echt gezien? Wat is het precies, een vakantiebon?

Artikel uit Friesch Dagblad over het Vacantiefonds.

Na de tweede wereldoorlog is men in de agrarische sector met vakantiebonnen gaan werken. Door het verplicht moeten verstrekken van vakantiebonnen bij reguliere loonbetalingen aan werknemers verviel voor de werkgever de loondoorbetalingsverplichting tijdens feest- en vakantiedagen. Dat was van belang omdat in de agrarische sector er vaak sprake was van werknemers met tijdelijke arbeidscontracten bij verschillende werkgevers. Het systeem bewerkstelligde dat vakantiegeldrechten doorlopend ook bij de tijdelijke arbeidscontracten werden opgebouwd.

Hoe werkt het precies?
Werkgevers waren verplicht om vakantiebonnen uit te betalen bij reguliere loonbetalingen. De bonnen hadden een waarde die gelijk was aan een formule als bijvoorbeeld 2,5 maal het uurloon (bij een volledige werkweek). De werkgevers konden deze bonnen kopen bij lokale correspondentschappen van het Vacantiefonds voor den Landbouw. Later werden dat de (voorlopers van de) filialen van de Rabobank. De werknemers moesten de bonnen plakken in bonnenboekjes en konden deze boekjes vier keer per jaar verzilveren bij een van de drie landarbeidersbonden, te weten de Nederlandse Christelijke Landarbeidersbond, de Nederlandse R.K. Landarbeidersbond “St. Deusdedit” of de Nederlandse Bond van arbeiders in de landbouw, de tuinbouw en het zuivelbedrijf. Later werden dat de agrarische bedrijfsbonden van de CNV, NKV of NVV.

Opplakboekje van het Vacantiefonds voor de Landbouw

Waardering voor de belastingen
Toen de regeling werd ingevoerd in 1947 bleek dat de bonnen bij het inwisselen door de werknemers zwaarder belast werden dan wanneer de werknemers in plaats van bonnen direct contant geld gekregen zouden hebben. Overleg daarover tussen stakeholders leidde er toe dat de waarde in 1950 op 75% werd gesteld. Later, in 1954, werd dat nog verder teruggebracht naar 50%, om vanaf 1970 stapsgewijs weer te stijgen naar 75%. De fysieke bonnen verdwenen allemaal in de jaren ’90 van de vorige eeuw om plaats te maken voor digitale rechtenbeheerssystemen. In deze eeuw steeg de belastbaarheid verder in stappen van 80% tot wel 99%, zij het dat in enkele bedrijfstakken waaronder de agrarische (in 2006) het vakantiebonnensysteem werd afgeschaft. Dat dit archaïsche systeem het zo lang heeft uitgehouden kwam vooral door de aantrekkelijke fiscale waardering in combinatie met de onderhandelingskracht van de bonden. Bij het inwisselen van de bonnenboekjes ontvingen ze namelijk provisie en die inkomstenbron wilden ze graag zo lang mogelijk behouden. Een fiscale win-winsituatie tussen werknemers en bonden derhalve.

Links: vakantiezegel van het Sociaal Fonds Bouwnijverheid voor 1973-1974. Rechts: vakantiebon van het Vacantiefonds voor de Landbouw, geldig t/m 31 maart 1993.
Meerdere voorbeelden van “vacantiebonnen” van het Vacantiefonds voor de Landbouw, geldig t/m resp. 30 april 1951, 30 april 1954 en 30 april 1966. Let op hoe de waarde (dus ook kosten) per bon snel oplopen van 10 cent in 1951 via 2 gulden in 1954 tot 10 gulden in 1966.

Andere bedrijfstakken
De agrarische sector heeft het vakantiebonnensysteem niet uitgevonden. Sterker: de landbouw heeft het systeem gekopieerd van het bouwbedrijf. Het bouwbedrijf was de eerste die er in 1929 al mee begon, en de allereerste vakanties op basis van bonnen waren dan ook te vieren door bouwvakkers in 1930 (drie dagen). Maar ook bij onder meer de metaalnijverheid, het stukadoorsbedrijf, de waterbouw, het schildersbedrijf, bij schoenmakers en slagers heeft er een vakantiebonnensysteem gewerkt.

Zegel van het Vacantiefonds Slagersbedrijf voor 1967-1968, met een waarde van (gesommeerd? zie Σ rechts van waarde) fl 1,00 en geldig t/m 31 juli 1968.
Zegel (“Waardebon”) van de Stichting Vakantiefonds Schildersbedrijf, geldig tot 29 mei 1965. Let op de uitgebreide uitleg op de zegel en de zeer specifieke waarde van fl. 17,05.

Huidig recht
Het systeem is nog niet helemaal uitgestorven. Bij de bouw is het systeem bijvoorbeeld rudimentair nog aanwezig. In de Wet op de loonbelasting 1964 vinden we dan ook nog steeds in artikel 13 lid 4 de volgende rechtsregel:
“4. De waarde van regelmatig bij het loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken uit een publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesteld op 99% van de nominale waarde van die bonnen of aanspraken.”

Tagged
Fons Overwater
Ik verzamel en bestudeer het Nederlandse zegelrecht van 1624 tot en met 1971.

Geef een reactie